Narrenwijsheid

Niets is, dat niet goddelijk is
daarom wil ik niets uitzonderen
ik geef geen namen

ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar recht
ik blijf niet staan bij slecht en lelijk
goed en deugdzaam gaan mij niet aan

    Spinoza

de regen regent over bos en zee en over de stille velden
in de slootjes regent de regen, op de verre buitenwegen en op het zinken platje van de keuken
in de vuile gootjes van de binnenstad regent de regen en de regen regent op de keetjes van de burgerwacht
en op het trottoir met de natte krant, de uieschil en het lucifertje
de gevangene in zijn cel hoort de regen, de moeder staat voor het raam met haar kindje
de kelner staart in de regen door de spiegelruit, voorbij het kleintje koffie
de politicus loopt op en neer in zijn kamer en bedenkt wat hij zeggen zal, maar hij blijft staan en luistert naar de regen
de regen regent over de schepen in de havens, over het station en de emplacementen, over de fabrieken buiten de stad
en over het oude paard van de kolenwagen aan de overkant
zachtjes ritselt de regen in de graskantjes van de weg
hij leekt langs de planken van het fietsenhok en langs het warme gezicht van het schoolmeisje
langs het gelaat van de oude man die heeft liefgehad, langs de vale gezichten van de chauffeur en de journalist met zijn potloodje
op de rode pannendaken der oude huizen, op de afdakjes en de binnenplaatsen, in de steegjes en de hofjes en in de groene grachten van de oude stad regent de regen
hij regent pokkeputjes in het kille strand, waar het seizoen verkeken is
op de daken der hotels met de rood pluche kamertjes regent hij, over de lege ambtenaarsbuurten en de bouwterreinen
op de tramremise en de kar van de bakker, op de werkman van het sintelpad
en er is een diepe, zware toon gekomen in de dingen, oud en dromerig en vertrouwd

zo regent de regen
daarom geef ik geen namen
ik ga maar en ben

 

Uit: J.C. van Schagen, Ik ga maar en blijf.
Gekozen en ingeleid door Ingmar Heytze. Uitgeverij van Oorschot