aan de Geul

twee koeien lagen koei te wezen
en aan de stilte te genezen

ze zagen dat het leven goed was
waar nergens hier een moet of spoed was

ze dachten niets, dat was volkomen overbodig
een koei heeft geen gedachten nodig

’t gesprek ging enkel maar per staart
zo’n staart is expressief veel waard

het gras, de vliegen en de regen
volkomen zeggen gaat alléén verzwegen

die koeien hàdden het, gewoon zo met haar beide
ik, op mijn bankje, zat ze te benijden

wat een figuur, als homo sapiens miserabilis
bij zo een Mamma onbevlekt amabilis-

 

Uit: J.C. van Schagen, Wat dit blijfsel overbleef, 1985