Mediteren: oefenen in kleinkunst

Wanneer je verstoppertje speelt met een kind van een jaar of twee verschuil je je als volwassene bijvoorbeeld op je hurken in een kast. Je laat je voeten net een beetje onder de deur uitsteken. Het kind ontdekt je natuurlijk en schatert het uit. Het is trots je te hebben gevonden en wil het spel eindeloos herhalen, het kan er geen genoeg van krijgen. Kijken we van een afstand naar dit spel dan zouden we ons af kunnen vragen of je gewoon met dit kind aan het dollen bent, of dat er meer gebeurt. Dat is de vraag die ik ontleen aan het boek De Weg van de auteur Michael Puett.

Volgens Puett is er met zo’n onschuldig kinderspelletje meer aan de hand. Hij ziet in verstoppertje spelen een ritueel waarmee een tijdelijke andere werkelijkheid wordt gemaakt. Even stijg je uit boven de wereld van het alledaagse. De volwassene wordt een beetje kind en het kind mag zich even groot wanen. Het kind dat anders zo kwetsbaar is, kan nu de sterke persoon spelen, het verslaat de volwassene. Het krijgt de kans zich groot te voelen. En de volwassene krijgt meer contact met de kwetsbare wereld van het kind. Daarin ligt de rituele meerwaarde.

Michael Puett is docent Chinese filosofie aan de Harvard Universiteit. Zijn recente boek De Weg is helder geschreven en lonkt niet naar vage oosterse zwemen van verlichting. Een goed leven bereik je niet door ‘je ware zelf’ te ontdekken en grootse plannen uit te voeren. Puett zoekt het in de kleine en haalbare veranderingen in ons persoonlijke en maatschappelijke leven.

Gewoontes en rituelen

We staan nu stil bij het woord ritueel. Puett heeft er een frisse, relativerende kijk op. Hij ontleent zijn opvatting over rituelen aan de Chinese wijsgeer Confucius die doorgaans bekend staat als een wat stoffige, op conventies gerichte wijsgeer. Maar was Confucius echt zo stoffig? Volgens Puett niet. Confucius mikte met zijn wijsgerig denken op het gewone dagelijkse leven. Hij had weinig op met de grote, abstracte filosofische vragen zoals: Is er een vrije wil? Wat is moraal? Wat is de zin van het leven? Wat is geluk? Dat zijn vragen waar je toch nooit uit komt. Confucius bepleitte een tegenovergestelde vraag: Hoe leid jij je leven van dag tot dag? Hij ontwikkelde een filosofie voor het dichtbije leven.

We kennen allemaal gewoontes in ons leven. Gewoontes bij het opstaan, bij begroetingen, in de opvoeding, in de collegiale omgang, in de winkel, in familieverband. Ons leven is er vol van. Het zijn omgangsstijlen die ons bestaan stroomlijnen. Gewoontes vergemakkelijken het leven, je hoeft niet telkens opnieuw je opstelling naar mensen te bepalen. Een kenmerk van gewoontes is dat ze iets werktuiglijks hebben, ‘we weten niet beter’, ‘zo doe je nu eenmaal’. De aardigheid bij Confucius zit hem in het feit dat hij het filosofische belang van menselijke gewoontes inzag. Ze konden uitgroeien tot net iets meer, tot rituelen, tot gewoontes met een ‘plus’.

Naast gewoontes zijn er dus ook rituelen. Wij verstaan in ons taalgebruik onder rituelen doorgaans grote gebeurtenissen zoals een doop, een bruiloft, een afstudeerplechtigheid, afscheid van werk, het verwerken van een overlijden. Ceremoniën waarbij we de ene identiteit voor een andere verruilen, de grote transformatiemomenten in het leven dus. Allicht doen die grootse momenten er toe maar Confucius sprak bij rituelen liever over de meer kleine en herhaalbare momenten in het leven van alledag.

Het avondeten als gewoonte of ritueel

Ik geef een voorbeeld dat we allemaal kennen: het avondeten. Dat kun je op twee manieren doen. Als gewoonte of als ritueel. Als gewoonte: je dekt de tafel, enigszins gedachteloos, je doet het niet slordig maar ook niet echt netjes. Als de borden en het bestek maar op tafel liggen. Eenmaal aan tafel schep je op. Je bent nog wat bezig met de dingen van de dag. Je disgenoot evenzeer. Wachten op elkaar voor het begin van het eten is er niet bij, je hebt trek en je begint. Tijdens het eten praat je wat met elkaar maar met de gedachten half er bij. Na het eten – dat niet lang duurt – wordt de tafel afgeruimd. Het leven kan weer verder. Dat is een voorbeeld van eten uit gewoonte. Het kan ook anders: de tafel wordt met een zekere zorg gedekt, een mooi tafelkleed erbij, borden en bestek netjes gerangschikt. Een kaarsje aangestoken. Pannenonderzetters staan klaar voor schalen en pannen. Eenmaal aan tafel schep je op, de kok of de kokkin krijgt een pluim voor de gemaakte dis. Een moment van genieten is aangebroken maar ook van rust voor jezelf en je disgenoten. De lichte stilering van de gedekte tafel helpt daarbij. Je komt met elkaar in gesprek en luistert naar elkaar. Op deze manier maak je de maaltijd tot een ritueel moment. Puett: ‘We stappen een moment uit ons dagelijks bestaan en scheppen voor onszelf en onze naasten een alternatieve werkelijkheid.’ Ook al waren er ergernisjes overdag, die doen er even niet toe. Ook al was de werkdag zwaar of de pensioendag wat oningevuld, dat alles verdwijnt even. Het eettafelritueel zet alles een moment stil. Puett benadrukt dat we die rituele ruimte van aandacht en verfijning natuurlijk niet de hele dag kunnen volhouden. Dat hoeft ook niet. Even voldoe je aan een iets hogere maatstaf van leven maar daarna keer je weer terug naar het complexe bestaan met al zijn valkuilen, strubbelingen en keuzes. Echter, de rituele verfijning verdwijnt niet geheel uit beeld, het behoudt als aangename herinnering en glans zijn waarde. Puett: ‘Het ritueel schrijft niet voor hoe we ons in de echte wereld moeten gedragen. De perfect geordende wereld binnen het ritueel kan nooit de onvolkomen wereld van onze dagelijkse beslommeringen vervangen.’ Het rituele moment kan hooguit een aanzet zijn tot een andere dynamiek in het dagelijks leven, maar het stelt geen allesomvattende norm. Daar is het gewone leven – met al zijn emoties en wisselvalligheden – te ingewikkeld voor. Confucius – zo benadrukt Puett – had oog voor de ondoorgrondelijkheid van het menselijk bestaan. Het leven van alledag vindt onvermijdelijk met vallen en opstaan plaats. Het inbouwen van rituele momenten kan een duwtje in een betere richting geven, meer kan en hoeft ook niet.

Rituelen als menselijke kleinkunst

‘Als de zitmat niet recht ligt, gaat hij er niet op zitten.’ Dat waren plechtstatige woorden over Confucius als hij mensen ontving. Die zin drukte geen stoffige beleefdheid uit maar een pleidooi voor een verfijnde rituele ambiance op momenten van waardevol menselijk contact. Die zin over de scheve zitmat van Confucius is een metafoor voor het opsieren van het leven met de lichtheid van rituele verfijning. Bijvoorbeeld bij het begroeten van bekenden. Deel je mechanisch drie zoenen uit zonder oogcontact? Geef je voor de vorm een gedachteloze hand, roep je een hip hedendaags ‘Doei’? Of ben je expressiever, kijk je de ander even aan, stel je er een vraag bij? Op die laatste manier krijgt het ontmoetingsgebaar een rituele meerwaarde en verhoogt het de kwaliteit van leven.

Zo kun je het inkopen doen in de supermarkt – of waar je dat ook doet – mechanisch doen, op de automatische piloot. Zwijgzaam pak je je karretje met inkopen uit, in gedachten zie je je spullen de kassa passeren, wie er achter de kassa zit neem je nauwelijks waar, je IPhone rinkelt, die neem je op en je raakt aan de praat met een ander terwijl je de caissière als lucht behandeld onder het afrekenen. Druk, druk, druk… Je vult je boodschappentas en loopt de winkel uit, het idee om even te groeten komt niet bij je op. Zo in de weer met je eigen bestaan. Dat kan ook anders: Je groet de caissière, als het even kan met een kort moment van oogcontact. Je maakt misschien een opmerking over de drukte in de winkel of het weer buiten en na het afrekenen bedank je met een vriendelijke groet. Zo’n steeds terugkerend dagelijks moment kan de vorm aannemen van een matige gewoonte óf van een gewoonte met een plus: een mini ritueel met verfijnde meerwaarde. Rituelen? Ook in de supermarkt dus!

Meditatie, een ritueel

Ook mediteren is een ritueel, het is een gestileerde stilte oefening in milde zelfwaarneming met distantie. De zitmatten liggen keurig op een rij, er brandt een kaars, af en toe klinkt het sonore geluid van een klankschaal, je ziet deelnemers af en toe een kleine buiging maken. De deelnemers drinken thee met licht ceremonieel. Er wordt weinig gesproken, er heerst een verfijnde sfeer van rust en stilte. Die rituele aankleding is er niet om een sfeer van religieuze of zweverige verhevenheid op te roepen, zij is louter bedoeld als respectvolle ambiance voor de stilte oefening. Voor humanisten is dat soms wennen geblazen. De humanistische traditie is op dit punt wat stijfjes, zou je kunnen zeggen, het heeft zijn aanhangers geen ritueel ‘savoir vivre’ aangeleerd. Met dat mediteren doen we daar wat aan…

Bij mediteren maak je een tijdelijke breuk met het gewone leven. De wereld van alledag laat je even achter je liggen. Alle aandacht is gericht op een subtiel proces van zelfwaarneming, een kijken naar je zelf zonder het waargenomene te doordenken. Ambities en strevingen mogen even worden losgelaten en onmacht mag er zijn. Even toef je in sferen van loslaten, zien en aanvaarden en minder getob.

Maar mediteren is een kortstondig moment. Die ervaring pas je niet zomaar toe op de rest van je leven. Dat zou een niet realistische ambitie zijn. Daarin ligt de kern van het denken van Confucius: maak het ritueel niet alomvattend en veeleisend. Natuurlijk is er sprake van een zekere invloed op het verdere leven, maar bescheidenheid is op zijn plaats. Dat is het verschil met de boeddhistische meditatie waarbij de oefening in een oude traditie en binnen een meer religieuze setting plaatsvindt. In het boeddhisme vormt de meditatie een onderdeel van de weg naar verlichting met de Boeddha als inspirerend voorbeeld. Het staat in het teken van het achtvoudige pad naar bevrijding. De humanistische meditatie is aardser en voelt zich niet thuis bij dergelijke pretenties. De meditatie waar wij naar op zoek zijn, maakt onderdeel uit van de levenskunst en heeft een vergelijkbare waarde met andere dimensies van levenskunst zoals het onderhouden van vriendschap, het je laten inspireren door kunst, het lezen van een roman, het opgaan in de natuur, het niet uit de weg gaan van momenten van eenzaamheid. Duurzame antwoorden op de wisselvalligheid van het leven biedt mediteren niet. Naar verlichting zijn we niet op zoek. Wel naar momenten van persoonlijke verdieping en inzicht bij de zoektocht in ons aardse bestaan. Met een rituele verfijning krijgen die momenten meer vorm, meer inhoud, meer regelmaat en worden ze een natuurlijk onderdeel van je leven. Dag in dag uit.


Bron: De Weg; wat Chinese filosofen ons over het goede leven leren. Michael Puett en Christine Gross-Loh. Hoofdstuk 3.
Foto: Metz, Frankrijk: Pont des Roches