Aards mediteren met Heidegger

Heidegger is de filosoof van het existentialisme. Hij leefde van 1889 tot 1976. In zijn hoofdwerk Sein und Zeit bepleit hij een open houding naar de geheimzinnige bestaansvragen rond eindigheid en noodlot. Voorwaar geen gemakkelijke opgave. Hoe ziet de filosofie van Heidegger eruit? Sluit een aardse vorm van mediteren aan op zijn filosofie? Daarover gaat deze tekst.

Heidegger is overigens een filosoof die je niet zomaar even kunt plaatsen. Aan de ene kant wordt hij geroemd en geprezen, hij was een van de invloedrijkste filosofen van de 20
e eeuw. Zijn denken veroorzaakte een storm in de filosofie. Hij had grote invloed op filosofen als Sartre, Camus en Levinas. Maar er zit ook een andere kant aan Heidegger, hij sympathiseerde met het Nationaal Socialisme toen Hitler aan de macht kwam. Dat is hem heel kwalijk genomen, na 1945 waren de universiteitsdeuren enkele jaren voor hem gesloten, hij mocht niet meer vrij doceren. 

Heidegger heeft in zijn werk niet rechtstreeks gewezen op de noodzaak van meditatie en contemplatie. Zijn gedachtegoed is een groots filosofisch bouwwerk over de vraag hoe de mens ten diepste in het leven staat, wat het wezen van de menselijke existentie is. In filosofisch opzicht gaat hij tot op het bot.

Als start licht ik een tip van de sluier van Heideggers denken op: hij stond op het standpunt dat mensen verder, veel verder, moesten durven kijken en leven dan hun alledaagse neus lang was. Hij bepleitte de moed – al in het volle leven – je eindigheid en hoogst persoonlijke dood onder ogen te zien. ‘Sein zum Tode’. Als je die drempel over was, wanneer je die moed wist op te brengen, kon je iets waarachtigs van je leven maken. Voorwaar geen eenvoudige opdracht. 

Heidegger daagt met zijn filosofie mensen uit stil te staan bij de kwetsbare kant van het aardse bestaan. Hoe kun je op zo’n uitdaging ingaan zonder je te bezinnen, je bij tijd en wijle terug te trekken en je over te geven aan de stilte van mediteren? Heidegger vraagt in zijn werk de roes van het alledaagse los te laten, te overstijgen. Mediteren? Een dergelijk idee ligt voor het oprapen en is een logische vervolgstap op Heideggers levensfilosofie. Dit ter inleiding. 

Eigenlijk en oneigenlijk

Eigenlijkheid en oneigenlijkheid zijn kernbegrippen in Sein und Zeit, het filosofische hoofdwerk van Heidegger. Die twee woorden zullen bij jou als lezer een trilling te weeg moeten gaan brengen. Onder oneigenlijkheid verstaat Heidegger het gewone leven van de meeste mensen: aangepast, vaak nauwelijks bezield, niet origineel, niet echt van uit zich zelf. Volgens Heidegger is het logisch en begrijpelijk dat mensen in eerste instantie kiezen voor een leven van aanpassing en meedoen in de grote stroom. Het gaat haast vanzelf, je wordt er in geworpen. Hij veroordeelt die oneigenlijke leefstijl niet, hij beschrijft hem slechts. Echter, zegt hij, wil een mens waarachtig in het leven staan, met twijfels, keuzes en persoonlijke gedachten, dan moet er meer gebeuren. Dan komt het er op aan uit de gemakzuchtige sleur van het alledaagse te stappen en individu te durven zijn, een persoon die niet alleen geniet van de plezierkant van het leven maar ook – persoonlijk doorleefd – oog heeft voor de breekbare, de eenzame en eindige kant van het menselijk bestaan. Dat noemt Heidegger  de houding van ‘eigenlijkheid’. Je zou het kunnen vertalen met het woord authenticiteit. Dit is de kern van de gedachtegang van Heidegger die hij in Sein und Zeit in honderden bladzijden heeft  doordacht. 

Dasein, er zijn..

Het bezwaar van Heidegger tegen alle vroegere filosofie was dat deze – haast ongemerkt – allerlei onbewezen verklaringen van en duidingen over het leven bevatte die geen recht deden aan de ‘kale oervraag’ van het menselijke zijn in de wereld en de kosmos. De klassieke filosofie bevatte grootse metafysische vooronderstellingen. Aristoteles en de Stoïcijnen veronderstelden bijvoorbeeld  een rationele en objectieve wereldorde. Of het uitgangspunt van de realiteit van een ‘God’ in het christelijke denken. Of – zoals bij Spinoza – de geruststellende gedachte van een God/Natuur die aan alle leven en denken voorafgaat. Heidegger vindt dat onbewezen transcendente denken maar niks, het leidt alleen maar tot ‘zijnsvergetelheid’. Hij bewandelt een andere weg en gaat fenomenologisch te werk en kiest voor een – zoals dat heet – ‘immanent’ perspectief. Immanent betekent letterlijk: ‘er in blijvend’. Vrij vertaald: blijven binnen de grenzen van het menselijk kenbare, niet méér beweren dan wat een mens kan weten en waarmaken. Hoe luidde de fenomenologische ouverture van Heidegger? Zijn openingsklanken raakten een even simpele als fundamentele ervaring die hij vertolkte met het zinnetje: ‘dat ik in de wereld ben’. Niets meer, niets minder. Geen God, geen wereldorde, alleen maar mens zijn ín de wereld, raadselachtig er in geworpen, daarmee begint Heidegger. Kaal. Meer houvast is er niet. We bungelen in het niets. ‘Dat ik in de wereld ben’, het zijn woorden die je als het ware moet betasten, waar je aan moet ruiken om er existentieel voeling mee te krijgen. Menselijk zijn is Dasein, simpel er-zijn. Niets meer. Een mens staat zo maar in eens in de wereld, tot dat kale feit heeft hij zich te verhouden, daar heeft hij voor open te staan. Dat openstaan naar zichzelf en de wereld heeft twee kanten. Een emotioneel en een rationeel deel. Een mens voelt van alles – verdriet, geluk, angst, hoop, teleurstelling – dat noemt Heidegger de menselijke stemming. Een mens heeft ook verstand, hij probeert het leven met zijn ratio te begrijpen. Een mens probeert dus met zijn stemmingen én zijn verstand vat te krijgen op de complexe wereld en zichzelf. Die twee – verstand en stemming – lopen door elkaar heen, ben je verdrietig dan begrijp je het leven anders dan op momenten van geluk. Er is dus geen ‘objectief’ kennen van de wereld. Met die uitrusting moet een mens het doen. 

Aan dat Dasein – het er-zijn – kleeft nog iets anders: Een mens wordt in het leven geworpen, zegt Heidegger, geworpen in zijn eigen verleden waar hij /zij niets aan kan veranderen. ‘Heeft ooit een mens er zelf over beslist in het bestaan te komen?’ vraagt Heidegger. Net zo gebeurt er in de feitelijkheid van je heden van alles waar je weinig aan kunt doen. Dat zijn onontkoombare gegevenheden. Vanuit die ervaring van bepaaldheid moet een mens proberen een eigen toekomst te ontvouwen. 

Alledaagse oneigenlijkheid: de dictatuur van het ‘men’

Hoe begint het met een mensenleven? Een mens wordt – zoals gezegd – geworpen in een wereld die al helemaal is voorgestructureerd. Die wereld probeer je als mens te begrijpen en je zoekt naar manieren om je er in te bewegen. Bij de start kan dit bijna niet anders dan met een ‘oneigenlijk’ (aangepast) leven, je kent het leven immers niet, je past je aan om je er in te redden. Dat proces verloopt onopvallend, je hebt er zelf nauwelijks weet van, je zwemt mee in de stroom van de samenleving, ach, iedereen doet dat. Je weet niet beter, net zo als een vis niet door heeft dat hij in water zwemt. Heidegger stelt dat het leven onvermijdelijk begint met ‘oneigenlijkheid’, met wennen aan ‘water’, kijken naar de ander, met aanpassen en meedoen, met ‘mee zwemmen’. Dat alledaagse opgaan in het leven noemt Heidegger de manifestatie van het ‘Men-zelf’. Hij spreekt ook over de leefmodus van de alledaagse zelfverlorenheid. Allebei woorden die een leefhouding van nadoen en van alledaagse aanpassing uitdrukken. Daar gaat een grote macht van uit, stelt Heidegger: wat iedereen doet en denkt, wat er in de krant staat, wat je op straat en op het werk hoort, de meningen op facebook en twitter, zouden we nu zeggen. 


Gemakkelijk is het niet je aan die macht van ‘Men’ te onttrekken. Het kost inspanning het leven tegemoet te treden met persoonlijke opvattingen die (vaak zullen) afwijken van wat iedereen zegt, van wat ‘men’ vindt. Een dergelijke eigenheid of oorspronkelijkheid doet je vaak ook alleen staan. Zonder het door te hebben zijn de meeste mensen in de weer zich met ánderen te vergelijken, met opletten hoe ánderen denken, wat ánderen vinden, wat ánderen van plan zijn. Daar stemmen veel mensen hun leven op af. Heidegger noemt dat ‘heerschappij van de anderen’ die kan uitgroeien tot de ‘dictatuur van het men’. Om het filosofisch te zeggen: Het er-zijn wordt ‘gevuld’ met anderen, maar niet met zichzelf. Dat proces voltrekt zich doorgaans onopvallend en heeft tot gevolg dat mensen niet uitgedaagd worden ‘eigenlijk’ te zijn, zichzelf, authentiek. Hier ligt het scharnierpunt van Heideggers denken: mensen offeren hun ‘persoonlijkheid’ op, hun ‘authenticiteit’ wanneer ze blijven hangen in de kalmerende en veilige wereld van ‘men’, van Jan en Alleman. Een mens komt dan niet tot wat Heidegger noemde: eigenlijkheid. Eigenlijkheid en oorspronkelijkheid staan op gespannen voet met de wereld van het alledaagse. Heidegger had bijvoorbeeld geen hoge pet op van gesprekken die mensen met elkaar voeren. Dat bewoog zich volgens hem meestal in de sfeer van ‘horen zeggen’, van ‘napraten’, van ‘doorvertellen wat je opgevangen had’, ‘genoeg hebben aan een krantenkop’. Borrelpraat was het, zonder diepgang en echte interesse. In de filosofische woorden van Heidegger: praten zonder een ‘oorspronkelijke zijnsbetrekking’. Ach, het is behoefte aan verstrooiing wat de meeste mensen drijft.

De weg naar eigenlijkheid

Waarom gedragen veel mensen zich aangepast? Volgens Heidegger is aanpassing aan het alledaagse heel verleidelijk. Het is een begrijpelijke vlucht, weg van angst en dreiging. Het kale besef van het in de wereld als zodanig staan is – ten diepste –  angstaanjagend. Toch staat een mens er uiteindelijk alleen voor, niemand ontkomt aan het geheimzinnige en rusteloze besef van zijn of haar eigen tijdelijkheid. Wie daarbij stil durft staan raakt in eerste instantie houvast kwijt. Dan vallen de zekerheden van de vertrouwde wereld om je heen weg. ‘Bij de beslissende vragen over de existentie blijft een ieder alleen’, schrijft Safranski in zijn biografie over Heidegger. Daar schrikken mensen voor terug, al te begrijpelijk. Maar het belet ook om het leven in al zijn waarachtigheid onder ogen te zien, om authentiek te worden. Heidegger spreekt in dit verband over de grondstemming van de menselijke angst. Het toelaten van die Angst verenkelt, schrijft hij, werpt je terug op jezelf als individu en het roept een gevoel van thuisloosheid (Unheimlichkeit) op. Wie ben ik in deze wereld? Waar sta ik in het onvatbare kosmische gebeuren? Wat moet ik aan met het verwarrende weten van mijn dood?

Misschien herkennen we zo’n ervaring als we bijvoorbeeld kijken naar het duistere zwart van een nachtelijke sterrenhemel, dan voelen we ons overweldigd door de ongrijpbaarheid van Tijd en Ruimte. Al het vertrouwde om ons heen kan ons op zo’n moment ontvallen. Lucebert verwoordde die ervaring ooit aansprekend: het gevoel een broodkruimel te zijn op de rok van het universum.
In zijn boek Aardse Mystiek geeft Ziegelaar een sprekend voorbeeld van Godfried Bomans over zo’n ‘grenservaring’.

Het gebeurde toen ik zeven jaar was. Ik liep in Haarlem door de sneeuw. Het sneeuwde nog en ik liep langs de Oude Gracht. Het was een beetje nevelachtig, zo rond vijf uur in de middag. Je kon nog alles zien, nog net. De witte daken. De stilte, die er in de wereld is als het sneeuwt. De geluiden klinken gesmoord, net of je op watten loopt. Ik stond aan de rand van het water en opeens gebeurde het, een ervaring die ik nooit vergeten heb. Ik was verbijsterd. Ik zag geen bomen, maar groene pilaren met een pluim er op. Ik zag geen meeuwen, maar wonderlijke gedaanten, wit, geruisloos langs me heen zwieren. Ik zag geen water maar een plaat van grijs staal. Alles was nieuw. Alles was onbegrijpelijk. Ik keek langs me heen. Ik zag twee benen, een buik en twee handen en ik dacht: Dat ben ik! En ik werd door totale verbijstering aangegrepen. Plotseling stond ik in een volkomen onbekende wereld. De dingen hadden geen naam meer. De etiketten waren afgevallen van de bomen, van de daken, van de wolken. Ik zag alles voor het eerst! Als een pasgeborene. En angst en verrukking grepen me aan en ik dacht: waartoe dient dit alles? Wat is de betekenis van de dingen? Waarom worden we geboren? Wat doen we hier eigenlijk? Uit die panische radeloosheid wordt elke godsdienst geboren.

Waarom het diepe in?

De bedoeling van Heidegger is niet dat mensen dag in dag uit leven vanuit het besef van aardse eindigheid. Het gaat niet om het inruilen van het alledaagse voor een leven langs de lijnen van een ‘hoogverheven eigenlijkheid’. Hij propageert wel een bestaan dat bij tijd en wijle voorbij de poorten van de oneigenlijkheid komt, een leven dat weet heeft van het tragische oerweten van Tijd en Eindigheid. Heidegger ziet het menselijk bestaan als een uitstrekking tussen geboorte en dood. Een dergelijk basaal feit niet onder ogen willen zien is een knieval voor de eenzijdige, oppervlakkige alledaagsheid van het leven. De dood schenkt urgentie aan het bestaan en vraagt durf van de mens om de eenvoud van dat levenslot te dragen. Wie werkelijk wil leven – stelt Heidegger – ontkomt niet aan het lot zichzelf te zijn. Zo’n keuze vraagt vastberadenheid, eerlijkheid en moed. Samengevat kun je stellen dat Heidegger ten diepste een pleidooi hield voor een intensief leven. 


De moed tot mediteren

Er ligt een overeenkomst tussen de filosofische ervaring van de eenvoud van het  ‘er zijn’ van Heidegger en de meditatieve zoektocht naar eenvoud en stilte. Het is ondoenlijk de filosofie van Heidegger in één woord samen te vatten. Eén van de  kerngedachtes is het toelaten van eenzaamheid, het op jezelf durven staan. Wil een mens zichzelf worden, dan moet hij die stap durven zetten, benadrukt Heidegger. Blijf niet hangen in het alledaagse, stelt hij, durf aandacht op te brengen voor waar het om gaat in het leven. Ontwikkel persoonlijk doorleefde meningen, kijk de angst voor de raadselachtigheid van de menselijke eindigheid in de ogen, laat gevoelens van ‘thuisloosheid’ toe. Wie mediteert treedt in vergelijkbare voetsporen. Het is een zoektocht naar persoonlijke authenticiteit, een mild toelaten van menselijke kwetsbaarheid en een vriendelijk relativerend onder ogen zien van het eigen bestaan. Het kenmerkende aan mediteren is dat het controlerende, vaak warrig menselijk denken over zichzelf, aan banden wordt gelegd. Het is een oefening in loslaten en minder denken over jezelf. Aan de ene kant leert een mens zich zo op een nieuwe manier kennen in de intimiteit en subtiliteit van zijn of haar eigen denken, voelen en beleven. Het bevordert de onbevangenheid, het minder bezet zijn. Aan de andere kant ontwikkelt zich een grotere gevoeligheid voor de trage vragen van tijd en eindigheid. Zo komt er – zoals Heidegger het noemde – een oorspronkelijker zijnsbetrekking met het leven tot stand. 

Zelf noemde Heidegger de wenselijkheid van mediteren niet. Daarvoor was hij te veel filosoof en geen practicus van het leven. Zijn denken nodigt er echter wel toe uit. In mijn ogen een zowel persoonlijke als levensbeschouwelijke uitdaging voor humanisten om deze route te gaan.

Bronnen op grond waarvan deze tekst is ontstaan:
* Arnold Ziegelaar, Aardse Mystiek. Inleiding in de filosofie van de verwondering. Zie ook: ‘extra’, tweede pagina
* Rudiger Safranski, Heidegger en zijn tijd
Foto: Gedenksteen Michel Garcin, Barret de Lioure, Frankrijk.